web analytics
Begraafplaats Well Header

Begraafplaats Well

Het is begraafplaats en niet een doodenakker ergens buiten in ’t veld, waar de dierbaren, die ter ziele gingen, in volle werkelijkheid eenzaam en verlaten rusten. Neen, ons kerkhof is nog de tuin der kerk, zooals ie werd aangelegd in de middeleeuwen bij den bouw van het eerste Godshuis in ons kleine dorpje, pas gekerstend door de volgelingen van Sint Wilbert. Eeuwen lang zijn daar de parochianen van Sint Vtius ter ruste gelegd in de schaduw der kerk, waarin de meesten hunner werden gedoopt en eerste H. Communie ontvingen. ’t Is door de eeuwen heen een hecatombe geworden, niet gevuld met de overblijfselen van door brutaal krijgsgeweld terneer geslagenen, doch — met enkele uitzonderingen — van vredig ontslapenen. Ongerept en ongetwijfeld ligt nog die hof op den kruin van den steilen Maasoever, geen steenworp ver van de rivier, tegen wier excessen een zeer zware muur met ettelijke steunbeeren de noodige bescherming biedt. Menigmaal beukten daartegen de zware ijsschotsen, die met donderend geweld door ’n hevig gezwollen stroom zeewaarts werden gedrongen, maar nimmer heeft deze borstwering gewankeld. Ontelbare malen ook stroomden de watervloeden over dezen Godsakker, doch nooit hebben zij er een verwoesting aangericht.

Aan de andere zijde loopt de Dorpsstraat, waar dagelijks levenden een groet brengen aan hun dierbaren, die daar de opstanding wachten. Ik kan mij niet voorstellen, dat er iemand voorbijgaat zonder zijn blikken te richten naar de graven en de kruisen en zoodoende een ongezocht „Memento mori” opgedrongen te krijgen. Zóó rustten daar onze voorouders — niet eenzaam en verlaten, maar te midden van hen die ze achterlieten; dagelijks worden de afgestorvenen in de herinnering der levenden opgeroepen…. Heilzaam is het, de dooden te gedenken: zonder twijfel even heilzaam voor hen die gedenken, als voor hen, die herdacht worden.

DE GRAFKELDER.
Als men aan ’t herdenken slaat, krijgt de zaak bij den godsdienstigen kant ook nog een geschiedkundigen. Geslachten na geslachten zijn hier bijgezet; menscnen van allerlei rang en stand, kinderen, jongelieden, mannen en vrouwen van een leeftijd, waarin de levenskracht haar hoogtepunt bereikt en grijsaards van honderd jaren en minder. Daar rusten de „nobili”, die gedurende zes eeuwen heerschten over de vrije Heerlijkheid Well, Bergen en Aijen. Afgezonderd van de „onderzaten,” zoodat hun stoffelijke resten niet bij elken turnus werden omgewoeld, zijn ze bijgezet in den grafkelder onder het koor der kerk. Den bazuinstoot der Engelen wachten daar de geslachten van Arendael, van den Berg, van Byland, van Limburg Stirum Bronkhorst, de Pas de Feuquières, de Liedel de Well en de laatste in het jaar 1877 overleden slotbewoonster Freule Marianne van Evers van Aldendriel. Bij gelegenheid van de begrafenis heb ik nog in den grafkelder rond gekeken; er stonden vele kisten in nissen, enkele op den grond en ook de Freule werd daar neergezet, aangezien alle nissen waren gevuld. Sedert dien is deze grafkelder niet meer geopend geweest en zonder twijfel zijn er thans vele inwoners van Well, die het bestaan daarvan niet eens weten en nog minder de plaats waar de ingang zich bevindt. Men moet die zoeken aan de straatzijde tusschen eerste en tweede conterfort van ’t koor. Vóór den Franschen tijd was de ingang iln de kerk. Het gebruik van den grafkelder is ten tijd lang verboden geweest en het eerste echtpaar de Liedel is eerst op het kerkhof tegen het koor begraven. Later werden beiden in den grafkelder bijgezet.